Geschiedenis van de vrijmetselarij

Geschiedenis

De voorgeschiedenis van de vrijmetselarij kunnen wij zoeken in de Engelse en Schotse bouwgenootschappen van de Middeleeuwen. In oude handschriften, waaronder het zogenaamde Regius Manuscript uit ca. 1390 komen wij al de term “freemason” tegen. De officiële geschiedschrijving van de moderne vrijmetselarij begint in 1717. Op 24 juni van dat jaar, de dag van de schutspatroon van de bouwers, Johannes de Doper, werd door vier Londense loges de eerste overkoepelende Grootloge gesticht. Waren het voordien naast beroeps- ook gezelligheidsverenigingen, waarvan ook niet-ambachtslieden lid waren, voortaan zouden broederschapsgedachte, ethische en symbolische elementen meer op de voorgrond staan.

Freemason-vrijmetselaar

De benaming “vrijmetselaar” is afkomstig van het Engelse “freemason”, een samentrekking van “freestone mason”. Zo werd vroeger de steenhouwer genoemd die vakkundig de uit steengroeven gehouwen ruwe steenblokken bewerkte tot bruikbare en mooi gevormde bouwstenen voor grote bouwwerken, in veel gevallen kathedralen.

Uit oude documenten blijkt de beslotenheid van de bouwcorporaties met hun reglement voor meesters, gezellen en leerlingen, hun toelatingsceremonie en de plechtige eed van geheimhouding die nieuwe leden dienden af te leggen. Hun bijeenkomsten hadden plaats in de bouwhut, “lodge” genaamd. Daar verrichtten meesters hun werk met passer en winkelhaak en kregen leerlingen en gezellen onderricht in het hanteren van de werktuigen en het bewerken van de materialen.

In de loop van de tijd werd niet alleen de plaats van samenkomst met “lodge” aangeduid, maar ook de vaste groep van vakbroeders die er hun bekwaamheden ontwikkelden. De Lodge bood hen de gelegenheid, in een atmosfeer van vertrouwelijkheid met elkaar over geestelijke waarden van gedachten te wisselen, zonder direct persoonlijk in botsing te komen met de gevestigde orde van kerk of staat.

Symbolische vrijmetselarij

Was de operatieve (ambachtelijke) vrijmetselarij alleen toegankelijk voor vakbroeders, toch blijkt dat reeds in de zeventiende eeuw ook mannen van buiten het vak werden toegelaten. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, waarvan een der belangrijkste wel zal zijn dat het bespiegelend element in de bijeenkomsten steeds meer de overhand kreeg. Begrippen en werktuigen uit het ambacht werden op den duur voornamelijk symbolisch gehanteerd. De ceremonie bij aanneming van een kandidaat werd geperfectioneerd en uitgebreid.
De kunst van de kathedralenbouw werd getransformeerd tot het symbolisch bouwen aan een onzichtbare Tempel, waarvoor de tempel van Salomo als voorbeeld diende. De legende die de basis vormde woor het ritueel waarin deze bouw werd gesymboliseerd, was ontleend aan het Oude Testament, waarin vermeld wordt dat Hiram Abiff door koning Salomo tot bouwmeester was aangesteld. Aan de onzichtbare Tempel der Mensheid kon echter alleen maar worden gebouwd als men te werk ging naar het bouwplan van de Opperbouwmeester der Heelals. Hierin ligt het “religieuze” beginsel van de vrijmetselarij besloten: de vrijmetselarij gaat uit van de relatie van de mens tot oorsprong en doel van al het bestaande. Hij ziet wereld en leven als een te voltooien bouwwerk.

Veel gebruiken en symbolen in de moderne vrijmetselarij herinneren aan de oude bouwgenootschappen. Kandidaten worden volgens oude gebruiken aangenomen als leerling, later tot gezel bevorderd en tot meester verheven. De oude eed tot geheimhouding vinden wij terug in de bij de toetreding af te leggen gelofte. Naast haar symbolische betekenis heeft deze gelofte ook een praktische bedoeling.
Alleen binnen de beslotenheid van de loge, onbevangen en zonder voorkennis van ritualen en symbolen, kan de kandidaat zijn opneming in de broederkring van de loge ten volle beleven.

Drie eeuwen van groei

In Engeland, Schotland en Ierland is na de stichting van de eerste grootloge in 1717 in Londen, een samenwerkingsverband van vier aldaar werkende loges, het aantal loges sterk toegenomen. In 1723 stelde de Schotse predikant James Anderson het Constitutieboek op, met de daarin opgenomen “Oude Plichten”. Zij vormden de leidraad voor het onderling gedrag en zijn wat inhoud en strekking betreft, nog steeds van kracht.
Ook op het Europese vasteland werden al spoedig de eerste vrijmetselaarsloges opgericht. Frankrijk volgde in 1725, Nederland in 1734, Duitsland in 1737.

Vooral in de landen die vroeger tot de Britse koloniën hebben behoord, met name in de Verenigde Staten, Canada en Australië, heeft de vrijmetselarij veel weerklank gevonden.

Volgens de laatst bekende cijfers telt de Engelse Grootloge ongeveer 600.000 leden, de Schotse 300.000 en de Ierse 55.000. In de Verenigde Staten van Noord-Amerika heeft elke staat zijn eigen grootloge. Het aantal leden bedraagt daar ruim drie miljoen, in Canada 200.000 en in Australië 250.000.

Maar ook vanuit Nederland heeft de vrijmetselarij zich over de wereld verspreid. Nederlanders stichtten in het verleden loges op de Antillen, in Suriname, Indonesië, Zuidelijk Afrika, Brazilië en het tegenwoordige Sri Lanka. Momenteel ressorteert nog een aantal buiten Nederland gevestigde loges, onder andere op de Nederlandse Antillen, Aruba en in Suriname onder de Nederlandse Orde.

In Nederland

In ons land kwam in 1734 in Den Haag de eerste Nederlandse vrijmetselaarsloge bijeen. In 1756 sloot een tiental loges zich aaneen tot wat sedert de Franse tijd officieel de “Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden” heet.